Terwijl mensen met witte handschoenen mijn werk installeerden in het museum werd ik opgeroepen door de arbeidsintegratie. Ik vroeg of de afspraak kon worden verzet. Men vroeg wie er exposeerde. Ik antwoordde dat ik dat zelf was. Neen dat was geen reden om verstek te laten gaan kreeg ik te horen. Dus wel als ik het zou inrichten voor een ander? Als het betaald werk zou zijn ja.  

De museum directeur kreeg zijn subsidie. Neen ik kreeg er niets van en ik had al zo’n honger want m’n laatste geld was omgezet in verf. De taxateur kreeg trouwens ook zijn honorarium evenals de verzekeraar, de schilderijenvervoerder, de interviewer, de filmer, de fotograaf, de dragers, de inrichters, de neerlandicus ter controle van de teksten) en zelfs de stagiair werd niet overgeslagen.

Enfin iedereen bleek geld te hebben behalve ik. Vandaar dat ik een schrale troost vond bij een glas cola en nam een dorstlessende slok terwijl ik achter mij hoorde, ‘Heb je daar wel voor betaald?’.

De fotograaf was klaar. Hij liet mij het resultaat zien. Vlijmscherp, dat kon ik wel schudden met mijn tachtig euro camera. Ik vroeg of ik ook een paar afdrukken mocht hebben van mijn schilderijen. Neen, deze waren uitsluitend voor het museum.

 

Aan dit verhaal is niets verzonnen en is louter een hoogtepunt in mijn schilderscv . Er zijn nog talloze anekdotes te gaan maar daar is het internet te klein voor.